Waarheidsdrang

Als ik ergens als kind een drang naar had, dan is was wel de waarheid. De ‘Waarheid met hoofdletter W’, wel te verstaan: antwoorden op de grote vragen des levens. Wat doe ik hier? Waar kom ik vandaan? Wie of wat ben ik? Heeft mijn leven zin? Bestaat God? En wat gebeurt er met me als ik dood ga? Mijn moeder vertelde me verhalen vanuit het christelijk geloof en de bijbel; mijn vader juist over natuurkundige wetten, computers en scheikundeproefjes. Beide werelden vond ik interessant, maar toch vroeg ik me af: ‘Hoe zit het nou écht?’ Klein als ik was vermoedde ik al dat ik de antwoorden kon vinden ergens diep in het Universum: een plek die zoveel grootser, eeuwiger en vreemder was dan alles wat ik op aarde kende.

Mijn waarheidsdrang leidt me naar de Universiteit van Amsterdam, waar ik natuurkunde en sterrenkunde studeer. Ik word ondergedompeld in de geheimen van het Heelal: hoe het geboren is, hoe het zich ontwikkelt, hoe wij mensen daarin ontstaan zijn, en wat onze nietige plek erin is. Ik geniet van het opdoen van al deze kennis, maar tegelijkertijd voel ik scheuren ontstaan tussen het troostrijke wereldbeeld waarmee ik opgroeide, en die van de moderne natuurwetenschap. Tijdens mijn promotieonderzoek wordt de kloof zó groot dat ik bij de psycholoog beland. Ik krijg de diagnose OCD: Obsessive Compulsive Disorder. Mijn stoornis, kortom, is mijn onstuitbare drang naar antwoorden op vragen die eigenlijk iedereen stelt. De psychologen helpen mij goed omgaan met mijn angst; maar antwoorden? Nee, die hebben ook zij niet.

In die duistere tijd vind ik in de jeugdhonk van onze kerk Vrijburg een boekje over de filosofie van Spinoza. Hij blijkt de ultieme sleutelfiguur tussen geloof en wetenschap: als kind van Joods-Portugese vluchtelingen groeit hij op binnen de joodse traditie; als filosoof groeit hij uit tot vader van de Europese Verlichting. Door zijn tijdgenoten wordt Spinoza zelfs voor atheïst uitgemaakt. Hij ziet God namelijk niet als de schepper van het Heelal, maar als het Heelal zelf. God, zegt hij, is als een oneindige oceaan waar talloze golven in op- en ondergaan. Wij mensen – en alle andere tijdelijke objecten – zijn deze golven. Die visie bracht mijn angst voor de dood opeens in een heel ander perspectief. ‘Als ik sterf’, dacht ik, ‘verdwíjn ik dus niet, maar word ik weer onderdeel van het grote geheel: van God. Maar ben ik dat eigenlijk niet nu ook al?’ De boeddhistische wijsgeer Thich Nhat Hanh is het hier roerend mee eens. In zijn boek ‘No death, no fear’ schrijft hij:

‘Een golf hoeft niet te sterven om water te worden. Ze is al water, hier en nu. We hoeven dan ook niet te sterven om het koninkrijk van God binnen te gaan. Gods koninkrijk is ons fundament hier en nu. Onze diepste oefening is om elke dag die ultieme dimensie in onszelf te zien en aan te raken: de realiteit van geen geboorte en geen dood.’

Sinds ik dit weet is mijn angst voor de dood veel milder geworden, net als mijn drang om altijd alles te weten. Ik kan beter omgaan met ‘niet-weten’, met onzekerheid en het mysterie van het bestaan. Nu, tien jaar later, heb ik mijn stressvolle wetenschapelijke carrière verlaten om een boek te schrijven. Dit boek – dat begin 2025 zal verschijnen – is een ode aan mijn waarheidsdrang en de antwoorden die ik vond in de natuurwetenschap, Spinoza’s filosofie, en mystieke spiritualiteit uit oost en west. Het compulsief volgen van mijn waarheidsdrang, hoe zwaar dit soms ook was, heeft uiteindelijk geleid tot een kunstwerk. En als ik met mijn verhaal ook maar enkele mensen kan helpen in hun eigen zoektocht, dan was het ‘t allemaal waard.